Skip to main content

Termijn bewijsvermoeden blijft 6 maanden

Gepubliceerd op:
26 maart 2024
Britt Loeffen

Tot aan 1 januari 2022 volgde uit de wet dat als een gekochte zaak een gebrek vertoonde en dit gebrek zich openbaarde binnen zes maanden na de levering, dan werd vermoed dat het gebrek ook al aanwezig was tijdens de levering. Dit bewijsvermoeden had tot gevolg dat de koper werd geholpen in zijn bewijslast, want hij hoefde niet langer aan te tonen dat het gebrek aanwezig was tijdens de levering. Dat gebrek werd immers op basis van het bewijsvermoeden geacht aanwezig te zijn. De verkoper moest ineens aantonen dat het paard géén gebrek had bij de levering. Verkopers die zich geconfronteerd zagen met dit ‘bewijsvermoeden, slaagden er vaak niet in om dit vermoeden voldoende te weerspreken en verloren dus de rechtszaak.

De problemen voor de professionele verkopers dreigden nog groter te worden toen de Nederlandse wetgever de wet wilde veranderen. Daarbij zou de termijn van zes maanden worden verlengd naar één jaar. Dat zou dus betekenen dat een consumentkoper tot maar liefst één jaar na de levering een beroep kan doen op het bewijsvermoeden.

Toen deze termijnverlenging als wetsvoorstel door de Tweede Kamer en Eerste Kamer ging, werd er een aanpassing voorgesteld, inhoudende dat voor levende have een uitzondering moest worden gemaakt voor de termijn van één jaar. Voor levende have, zoals paarden, zou de termijn zes maanden moeten blijven. Deze uitzondering gaat doorgevoerd worden, maar is helaas niet meteen verwerkt in de nieuwe wet. De aanpassing moet o.a. nog langs de Tweede Kamer, maar de Minister heeft beloofd zijn uiterste best te doen om de aanpassing zo snel mogelijk te verwerken.